Quelinda

Spicy

Charlotte Dorren

Ik beweeg mijn pen in het schijnsel van de maan. Slechts een BH, onderbroek en reddingsvest heb ik aan. Dat dit ooit mijn nachtelijk tenue op zee zou zijn, had ik nooit gedacht. Ik ben een koukleum, maar dat ken ik niet meer. 

De geluiden om me heen zijn vertrouwd. Eerst het geweld van Quelinda’s boeggolf, dan de ontelbare belletjes langszij, alsof je je oor tegen een glas cola houdt. Op het navigatiescherm kijk ik naar Isla Margarita. Het Venezolaanse eiland was eens de hoofdprijs in de finale van Rad van fortuin, de spelshow uit de jaren negentig, waar Leontien de letterbordjes omdraaide. Nu zeilen we er met een grote boog omheen. Het moet. Het is er gevaarlijk. Het land verkeert al jaren in politieke en economische crisis en is berucht om piraterij.


Het gaat goed. Letterlijk voor de wind. Het grootzeil staat met 1 rif over stuurboord en de kluiver over bakboord. En zo vlinderen we op fietssnelheid 400 mijl westwaarts richting Bonaire. In totaliteit zo’n 2,5 dag varen vanuit Grenada. Bonaire, bijzondere gemeente van Nederland, staat bekend om de rijke onderwaterwereld. We gaan er vooral duiken en freediven. Dat laatste betekent dat je op één ademteug de diepte in duikt. We kijken ernaar uit en toch, afscheid nemen blijft lastig. De tijd in Grenada was hoe dubbel ook, vooral heel fijn.


Een sapje bij George


Grenada blijkt een eiland vol verassingen waar we niet zozeer toerist maar eerder buurman en buurvrouw zijn. Er is een levendige en energieke zeilers community te midden van Grenadianen. Het eiland is mooi, comfortabel en de Caribische sfeer blijft in tegenstelling tot Martinique en Guadeloupe behouden. Althans, dat ervaren wij zo.

Kilometers rijden we met een huurauto langs kust en vissersdorpen. We doorkruisen het eiland vol nootmuskaatplantages. Het zijn noten die rijkelijk tussen fijne blaadjes in middelgrote bomen hangen. Voor ons helemaal nieuw. Aan de buitenkant ziet een nootmuskaat eruit als een harde abrikoos. En als je de bast van de noot afhaalt, verschijnt er een glanzend lakrood schilletje. En daartussen verscholen zit een geurig nootmuskaatbolletje. Wonderlijk hoe dit prachtig rode velletje, gedroogd, de bruine foelie in grootmoeders soep wordt.

De rit over het Spicy Island is fenomenaal maar gaat langzamer dan gedacht. We hebben geen lunch meegenomen en het wordt er, daardoor vooral door mij, niet gezelliger op. Niet eten maakt me bloedchagrijnig. Ik google en kom de Bamboo bar tegen. Op de plaatjes ziet het er vrolijk uit en het is nog geen kwartiertje rijden. Maar eenmaal aangekomen lijkt er niets te zijn. Paul wacht in de auto terwijl ik polshoogte ga nemen en via een kronkelend, stijl straatje de hoek om loop. Ik staar naar een vervallen hotel en een rommelig erf. Een jongeman leunt tegen zijn pick-up en eet een grapefruit. Ik steek mijn hand op en loop naar hem toe. Ik ruik de citrusgeur. Nergens heb ik zulke lekkere gegeten als op Grenada. De tientallen pitten en het pulken aan harde velletjes nam ik graag voor lief. Ik zeg hem waar ik naar op zoek ben. De man vertelt hoofdschuddend dat de Bamboo bar sinds corona verlaten is.

Een oudere man in verschoten, gescheurde kleding komt op ons stemgeluid af. De hond in het houten hok vlakbij verroert zich niet maar blijft me wel observeren.

‘Deze mevrouw is op zoek naar een drankje en wat te eten oom.’

De oudere man, George genaamd, biedt meteen een sapje en een banaan aan. Paul is intussen aan komen rijden en ik wenk hem te komen.

Met twee glazen, waarvan de inhoud nog net niet over de rand klotst, sjokt George naar de andere kant van het huis waar ooit de eetzaal van het hotel was. We volgen. Hij wijst naar de afbladderende verf op de muren en excuseert zich. En dan volgt zijn levensverhaal. De nabijgelegen waterval vond een andere natuurlijke weg. Daarmee was de grootste toeristische trekpleister verdwenen en ook zijn gasten. Nadat zijn vrouw twee jaar geleden overleed aan kanker was de energie maar vooral de liefde om het hotel voort te zetten verdwenen. Ondertussen nip ik aan het lauwe guave sapje en doe alsof ik het hemels vind. We luisteren en luisteren. Er volgt een rondleiding door zijn tuin.

Veel koffie- en bananenplanten zijn verwoest nadat orkaan Ivan in 2004 over zijn grond raasde. Nu kweekt hij anthuriums waarvan de eerste plant notabene uit Nederland kwam. De bedden vol flamingoplanten zijn afgedekt met kokosnootbast. Zo blijft het vocht in de grond en schaduwdoek erboven houdt de zon tegen. Het is er aangenaam. George is trots en geniet zienderogen van het niet meer alledaags verzetje. Hij vertelt over zijn kinderen en hoe het verder moet als hij er niet meer is. Ieder krijgt een gelijk deel of ze nu willen of niet. Ik bewonder zijn levenskracht. We zouden zo nog uren kunnen doorpraten maar besluiten dat het tijd is om te gaan. We vragen of we wat kleingeld als bedankje mogen achterlaten. Dat mag. We rijden verder en sluiten de dag af met een rit naar de supermarkt.


Betrapt!


Een auto en niet hoeven sjouwen met zware spullen is grote luxe maar eigenlijk vinden we reizen met het openbaar vervoer veel leuker. Gewoon, alledaags. Opgaan in de massa en proberen niet op te vallen. Maar dat laatste dat lukt eigenlijk nooit.

De propper van het busje ziet ons. Hij wuift of we mee willen en wacht. In Nederland zou ik hollen, maar hier hoeft dat niet. Te warm. We zijn de eersten en hebben nog alle ruimte. Een straat verder stopt het busje weer en stroomt vol lagereschoolkinderen. De banken voor ons een rijtje meisjes en naast Paul twee jongetjes. Bil aan bil in de warmte op kunstlederen zittingen waar zo meteen alles zal gaan plakken van het zweet. De kinderen kijken wat afwachtend naar ons. Ik breek het ijs door te vragen of ze veel geleerd hebben vandaag. Er wordt synchroon ingestemd. Het meisje voor me, ze lijkt de oudste van het stel, vraagt waarom we zo lang zijn. Ik antwoord dat papa en mama ons dat gegeven hebben en we altijd goed hebben opgelet op school. Dat klonk wijs want het wordt serieus door de kleintjes ontvangen. Het jongetje naast Paul voert al een tijdje een top tot teen onderzoek uit bij Paul. En dan strijkt hij zomaar met zijn handje aan de blonde haren van zijn bovenbeen en moet giechelen als ik hem betrap. Snel trekt hij zijn hand terug. Ik glimlach naar hem. Zoveel haren, zo licht en zo lang dat kennen ze hier natuurlijk helemaal niet. Als we op plaats van bestemming zijn en uitstappen zingt de kleinste hummel van het stel ons toe. ‘Be careful, just walk on the side!’

‘Thank you sweetie, we will!’


Ondeugende blik


Later vertel ik het verhaal van het aaien over Pauls bovenbeen tegen Shademan, de Grenadiaan die in Prikly Bay iedereen voorziet van vervoer en zijn naam dankt aan de liefde voor schaduw, moet er hartelijk om lachen. ‘Here in Grenada we don’t have much hair on the arms and legs.’

Even wordt het gesprek serieus. Toevallig ben ik voor mijn werk namelijk bezig met het schrijven van een nascholing over de huid. Een donkere kleur van de huid is daar een onderdeel van. En wat me duidelijk is geworden dat de donkere huid beter tegen vocht en de warmte kan maar ook droger is, minder haren heeft en deze breekbaar zijn. Kunstige haardracht, kammen en gebruik van chemische middeltjes om te stijlen eisen zo hun tol. Kaalheid komt dan ook vaker voor. Shademan beaamt mijn betoog. Maar dan wordt het hem te serieus en kijkt me ondeugend aan vanuit de achteruitkijkspiegel. ‘We are gifted with other things. God gave us something else. Something big wich woman can play with.’

Weer moet ik erom lachen als ik het plezier in zijn stem hoor.


Ik kan door blijven schrijven. Er is nog zoveel te vertellen. Maar punt.

Het is alweer licht. Het gele vogeltje dat zojuist op het achterdek is geland gaat voorlopig nergens meer heen. Het knijpt zijn oogjes samen van vermoeidheid en wiebelt alsof het elk moment kan omvallen. Rust maar uit zolang als nodig kleintje.  

De trip naar Bonaire verloopt fijner dan ooit. Niet vanwege de wind of de kalme zee waar we zelfs in konden zwemmen. Het is ook omdat wij ons rustig voelen na de intense maanden. Geen rouwrandjes maar gouden randjes hebben zich om herinneringen gezet. Niet meer opgejaagd, niet gespannen maar uitgerust. We leven weer in het hier en nu. 

Ja! Ik wil elke maand een nieuwe belevenis ontvangen.
door Charlotte Dorren 27 maart 2025
Amerikanen die zijn zo overdreven, niet? ‘Hi, how are you doing?’ klinkt overal en altijd, maar het antwoord lijkt niemand echt te interesseren. Toch kan ik je zeggen, deze eerste indruk is bedrieglijk. De eerste echte kennismaking met Amerikanen komt niet in de vorm van een praatje bij de supermarkt of de wasserette dit keer, maar in een noodsituatie op het water. Na een stevige nachtelijke tocht van 180 mijl vanuit de Bahama’s naderen we West Palm Beach. De zeedeining en de stroming van de invaart zijn fors. We zijn blij dat we in de luwte van de rivier terecht komen. Terwijl de stad ontwaakt, maak ik, moe en opgelucht dat we er zijn, voorop het anker klaar. Ik sta op de boeg, de wind trekt aan mijn haren. En dan hoor ik Paul’s stem zelfs boven de harde wind uitgalmen. ‘Charlotte, het gaat niet goed!’ schreeuwt hij. ‘Jan is gevallen. Hij denkt dat hij iets gebroken heeft. Ze hebben hulp nodig.’ Snel ankeren we Quelinda . Paul laat de bijboot zakken en vaart naar buddyboat Yulunga om te helpen. Erika, Jan’s vrouw, heeft mankracht nodig bij het laten zakken van de stroeve ankerketting. Intussen blijf ik aan boord en roep de Amerikaanse kustwacht op. Ik leg de situatie uit, geef onze coördinaten door en wacht op hulp. Hoe snel zal er iemand zijn? Ik blijf standby op de marifoon en houd ons Amerikaanse telefoonnummer bij de hand.  Nog geen tien minuten na het eerste contact is er een sheriff- en politieboot en niet veel later de ambulanceboot. De rust, efficiëntie en betrokkenheid van de hulpverleners zijn immens en even nodig.
door Charlotte Dorren 5 maart 2025
De Bahama's, een betoverende archipel ten noorden van Cuba en ten oosten van Florida, bestaat uit meer dan 700 eilanden en 2.400 Cays. Sinds 1973 is het onafhankelijk van Groot-Brittannië, maar politiek en historisch gezien, nog altijd nauw verbonden. Koning Charles is het staatshoofd. De sfeer op de kleinere eilanden is kleurrijk en gemoedelijk, een scherp contrast met drukke hoofdstad Nassau, waar miljoenenjachten en giga cruiseschepen het sfeerbeeld bepalen. Overdag een bruisend geënsceneerd toneel, maar zodra de schepen vertrekken, blijft een uitgestorven decor achter. Na inkopen in Nassau gaan we dan ook gauw op zoek naar het echte Bahama gevoel.
door Charlotte Dorren 24 januari 2025
De eindeloze zee strekt zich voor ons uit. De zeilen staan er strak bij en het laatste stukje Cuba verdwijnt achter de horizon, alsof het een afgesloten hoofdstuk is. Ik erger me zoals altijd aan de kriebelende haartjes in mijn gezicht en veeg ze weg. In tegenstelling tot het gevoel van Cuba, dat laat zich niet zo eenvoudig wegvegen. Zelfs voor Cubaanse begrippen was het concertkaartje van nog geen 10 dollarcent goedkoop. Toch was het 19e-eeuwse Tomas Terry-theater, in het centrum van Cienfuegos, amper voor een kwart gevuld. En dat terwijl er een populaire band speelde. Het had ook niets te maken met de schoonheid van het gebouw. De marmeren vloeren en zuilen, de plafondschildering en de rode, velours podiumgordijnen met gele kwasten, straalden grootsheid en allure uit. Zelfs de door de coulissen vliegende vleermuizen deden niets af aan de charme. Waarom de meeste stoelen dan wel leeg bleven? Dat probleem ligt veel dieper. Tamara, in haar vlammende fluorlegging en shirtje, begeleidt ons via een kronkelig zandpad naar het bootje om het meer met flamingo’s te bezoeken. Onderweg praat ze over haar leven. 'Mijn zeven katten krijgen eerst eten.' Tamara werkt zeven dagen per week, voor 24 dollar per maand. Net als iedereen krijgt ze een basisrantsoen: een paar kilo rijst, wat bonen, een flesje olie en wat koffie. Daarnaast betaalt ze wat voor elektriciteit en water. Het huis kreeg haar familie van Fidel Castro. Maar als er iets extra’s nodig is, zoals medicijnen, wordt het ingewikkeld. Het is er niet of het is heel duur. Een spijkerbroek kost 20 dollar en een telefoon een heel jaarsalaris. Toen haar kaak ontstoken was, moest ze de dokter cadeautjes geven om geholpen te worden. Een paar uur later bedanken we Tamara voor haar openheid en het schouwspel van de vele flamingo’s en gaan op weg naar de markt.
door Charlotte Dorren 25 december 2024
Cuba verkeert letterlijk en figuurlijk in zwaar weer. Orkaan Oscar raasde eind oktober over het land, en daarna zorgde een aardbeving voor opschudding. Ook het regime roept vragen op. Er wordt gezegd dat er niets is: geen voedsel, geen brandstof. Sterk verouderde energiecentrales zorgen ervoor dat mensen vaak zonder stroom zitten. Basale levensbehoeften die wij als vanzelfsprekend beschouwen, ontbreken. Wat doet dit met de mensen? En wie zijn wij om daar nu de toerist uit te hangen? Kunnen we beter wegblijven of moeten we juist gaan? Onze wens is om dit land met een open mind te bekijken en te begrijpen. Er zijn genoeg oordelen over Cuba, maar geef ons de kans om ons eigen beeld te vormen. Ter voorbereiding lezen we ons in, en dat helpt de situatie beter te begrijpen. In het kort wil ik die zoektocht graag met jullie delen.
door Charlotte Dorren 4 december 2024
De omstandigheden bepalen het tempo, en wij passen ons aan. Ineens, is daar dat gekoesterde weergaatje. Verre van ideaal, weermodellen worden het maar niet eens, maar het is een kans. Een kans om noordwaarts weg te zeilen uit een land waar we haast vastgeroest zijn. Wegkomen uit Panama is niet eenvoudig. Het ligt aan lagerwal. Hier heerst óf geen wind, óf tegenwind. En de zee verkeert nog altijd in de afterparty van het orkaanseizoen. Squalls De eerste 72 uur van onze vijf daagse tocht, bromt de motor. Een klein zeiltje helpt in te slingeren. De Japanse noedels smaken goed ondanks de katterigheid. Het is wennen aan de deining na zo lang niet op zee te zijn geweest en het is druk. Op onze koerslijn vele grote zeeschepen die net als wij de ultieme route proberen te vinden. En dan, op dag drie gaat de motor uit. Eindelijk is er wind. En hoe! Het is alsof we een test krijgen van de meester, de zee himself . Squall na squall , ministormen, doorstaan we.
door Charlotte Dorren 24 oktober 2024
“Oh nee,” verzucht Jorge, onze vertrouwde taxichauffeur. Hij had het al eerder opgemerkt, het subtiele trekken aan het stuur, maar nu is het onmiskenbaar. In stilte hoopte hij de jachthaven van Shelter Bay Marina te kunnen bereiken en het probleem daar op te lossen. Maar het schrijnende geluid van de velg die over het ruwe asfalt schraapt, gaat intussen door merg en been. Jorge mindert vaart, wacht tot hij een opening in de dichte begroeiing ziet, en stuurt de auto behoedzaam de smalle berm in. We stappen uit in de schemering van de vallende avond. Om de reserveband tevoorschijn te halen, moet eerst 46 kilo ruimbagage uit de achterbak worden getild. De stevige, harde koffer leggen we eerst neer en daarna stapelen we de zachte tassen er bovenop om te voorkomen dat ze in de modderige berm terechtkomen. Tijgermuggen De noodband die hij met trots tevoorschijn tovert, lijkt wel een formule 1 band zo glad. Er is geen enkel profiel meer zichtbaar. Omdat de velg kleiner is dan die van het voorwiel en daar dus niet past, wordt Jorge inventief. Het achterwiel gaat naar rechtsvoor waar het lek was en het te kleine thuiskomertje neemt de plek rechtsachter in. De zwoele warmte valt als een sluier over ons heen. Zweet parelt alsof we in de sauna staan. Binnen mum van tijd worden we belaagd door muggen die zich gretig tegoed doen aan ons bloed. Gauw graai ik naar muggenspray als zelfs Jorge onrustig wordt. Want rondvliegende tijgermuggen die dengue, knokkelkoorts, overbrengen is hier geen uitzondering. Daar wil je niet mee besmet raken. Bijna thuis Daar sta ik dan, mijn telefoon omhooghoudend om Jorge en Paul bij te lichten. De zoete geur van Panama hangt zwaar in de lucht, terwijl de vogeltjes een laatste concert fluiten voor de nacht hen tot stilte dwingt. Met een oude, roestige krik en enthousiasme klaren de mannen binnen twintig minuten de klus. Langzaam en voorzichtig zet Jorge de auto weer in beweging. De donkere weg strekt zich uit door de jungle. Terwijl we verder rijden realiseer ik me dat we bijna thuis zijn. Thuis in een compleet andere wereld dan de wereld waar we gisteren nog van wegvlogen. Dat wordt mooi! De zomer in Nederland heeft ons dit jaar zoveel goed gedaan. Dit keer geen verdriet, maar volop genieten van het warme weerzien met familie en vrienden. Elke omhelzing een thuiskomen, in elk gesprek weer dichter bij elkaar. De kroon op deze zomer was het moment dat we de sleutel in handen kregen van ons nieuwe huis, gekocht terwijl we nog aan de andere kant van de wereld zaten. Het voelde als een belofte van iets nieuws, iets vast, van steen. We hebben keihard gewerkt aan de verbouwing. Niet gemakkelijk, maar met elke geplaatste muur, elke schroef en verfstreek groeide ons gevoel van trots en dankbaarheid. Wat wordt dat een mooi thuis! Door de golven gedragen Eenmaal terug in Panama voelt het alsof we aan de terugreis naar Nederland zijn begonnen. Waar je normaal in één dag met de auto of het vliegtuig weer thuis bent, gaan we met weer, wind en seizoenen als onze gids, langs de Cayman-eilanden, Cuba, de Bahama’s en de oostkust van Amerika. De geur van zout water, het zilte op onze lippen en de eindeloze horizon als onze begeleiders. Het Vrijheidsbeeld in New York zal ons laatste piketpaaltje zijn voordat we in juli aan de grote oversteek van de Atlantische Oceaan beginnen. Terug naar Nederland, gedragen door de golven.
door Charlotte Dorren 10 mei 2024
‘Ben er klaar mee.’ Met die woorden komt Paul me tegemoet met de dinghy. Vanochtend hadden we een slechte start samen. Mot om onbenulligheden. Allebei behoefte aan eigen ruimte. Paul had me met veel plezier op de kade afgezet en ik was nog veel blijer met vaste grond onder mijn voeten. Weg van het geklauter aan boord en gezoem van ventilatoren. IJskoude kokoslimonade, al wandelend plaatjes schieten en boodschappen doen, daar had ik zin in! Dat maakt me altijd weer blij. Na een paar uurtjes had ik alles gedaan wat ik wilde en mijn frustratie achtergelaten. Bij Paul ging het anders. Smerig en bezweet pakt hij mijn volle tassen beet. ´We kunnen geen water meer maken. Die kutgenerator is weer stuk. ´ ´Wat!? Alweer? Hoe kan dat nou?’ Dit is de tweede, dure motor in nog geen twee jaar tijd. ‘Ja, zeg jij het maar. Naar zijn grootje, het lager is kapot. Ik weet het niet meer Charlotte. Ik ben er zo klaar mee. Misschien moeten we de boot maar gewoon verkopen en een ticket naar Nederland boeken.’ ‘Wat? Quelinda wegdoen?’ Dat zal toch niet. Zeker niet uit zijn mond. ´Klotehitte hier ook. Werkelijk alles gaat stuk. Weken onderhoud gedaan en weer lopen we achter de feiten aan op een plek waar niets te krijgen is. En dan heb ik het nog niet eens over wat dit geintje gaat kosten.’
door Charlotte Dorren 31 maart 2024
Dit mag gewoonweg niet aan onze neus voorbijgaan. Verstandelijk probeer ik heus te beredeneren dat als het niet lukt, er vast weer iets anders op ons pad komt. Maar wat dan? Het is een gedachte die me zolang als we op reis zijn, onzeker maakt en bezighoudt. Het staat in een oud straatje met leilindes voor de deur. Aan het park, in het centrum. Notabene vorig jaar, toen we in Nederland waren, hebben we nog briefjes bij de bewoners in de bus gedaan om ons enthousiasme kenbaar te maken. Al 20 jaar willen we daar wonen en zo graag oud worden. En nu staat er prompt een lieflijk geveltje te koop.  Dromen, durven en doen. De spreuk gaat opnieuw op. Net zoals toen we besloten op wereldreis te gaan. Huis en banen vaarwel durfden te zeggen. En nu is het dit wat ons in complete verwarring brengt en ons uit de comfortzone rukt. Hier, aan de andere kant van de oceaan, waarin alles onmogelijk lijkt.
door Charlotte Dorren 7 maart 2024
Na een indrukwekkende rondwandeling door Ustupu, het grootste dorp van de Guna Yala, vraagt Iniquilipi aan ons en de familie Topaas of we blijven eten. Iniquilipi, een van origine Guna man, woont in Panama-Stad en is hier samen met zijn vrouw en dochter op vakantie bij zijn moeder en zus. We ontmoetten hem aan de steiger en hij gaf ons een warm welkom. Vandaag heeft zijn moeder iets speciaals klaargemaakt. Het zou een eer zijn om dat met ons te delen. Guna´s zijn dol op het visgerecht. De jonge visjes van een soort zalmachtigen, hooguit een paar centimeter groot, groeien op in het rustige water van de nabijgelegen Surghandi rivier. Ze worden gezien als een geschenk van moeder natuur. Nog voordat ze groot genoeg zijn om naar zee te zwemmen, worden ze in netten gevangen en gerookt. Guna’s delen het gerecht met elkaar. Het is zo bijzonder dat het zelfs wordt opgestuurd naar familie in Panama. Vorig jaar was de vangst minimaal. De zee geeft niet meer zoveel maar neemt steeds meer wordt gezegd. Er is minder vis, verbleekt koraal en eilandjes die onbewoonbaar worden of wegspoelen. De Guna’s zien de klimaatverandering met lede ogen aan. Spruitjesgevoel Ik bekijk het diepe bord en voel aan de rand. Lauw, met troebel water en stukken gekookte bakbanaan. In het midden drijft iets in de vorm van een lekkerbek. We mogen beginnen. Als ik het stuk met mijn vingers voorzichtig uit elkaar trek, zie ik zwarte puntjes tussen wit vlees. Het zijn de oogjes van de honderden samengeperste visjes. Ik neem huiverig een hap en zie de Guna familie in mijn ooghoeken verwachtingsvol kijken. Het is taai, melig en rokerig. Ik lach en knik goedkeurend maar krijg het ‘spruitjesgevoel’. Daar zat ik dan. Voor straf, snikkend op de trap in de gang. Vijf koude spruiten, voor elk levensjaar één, weggeschoven naar de rand van mijn bordje. Maar ik vond een uitweg. Eén voor één drukte ik de stinkende kooltjes door het iets te grote gat in de trap waar de verwarmingspijp naar de kelder liep. Briljant! Voor ik het wist waren ze weg. Vrolijk was ik met mijn lege bord terug naar papa en mama gehold voor het toetje. Ik, die vrijwel alles lust, krijg het bord met vissoep haast niet weg en zou het liefst opnieuw een uitweg zoeken. Kan ik het wegmoffelen? Onmogelijk. Laten staan? Geen optie. Niemand van mijn tafelgenoten trapt erin dat ik maar een kleine eter ben wanneer ik zeg dat ik wil delen. Het limoensap dat ik eroverheen kan sprenkelen maakt het beter. De kinderen van Topaas en de Guna kleintjes, krijgen iets anders. Zij moeten tenslotte nog groeien en verdienen het allerbeste eten. De zwager van Iniquilipi toont ons trots een foto van het gisteren geschoten hert. Daar komt de kindersoep. Kraakbeen, vet en fijngemaakte stukjes vlees in water met aardappel en banaan. Ongezouten en zonder kruiden. Ik ben ineens blij met mijn stuk van visjes. Ondanks dat ik het niet lekker vind en er kinderlijk maar onopvallend onderuit probeer te komen om het op te eten, is het in vergelijking met vroeger allesbehalve een straf. Hier zomaar zitten, samen met Paul en lieve zeilvrienden en deelgenoot zijn van het leven van de Guna Yala indianen, dat is heel bijzonder. Ik voel warmte en dankbaarheid. Voordat we op reis gingen durfde ik momenten als deze alleen maar te dromen. Heb jij dat gedaan? ‘Gatverderrie. Charlotte kom eens hier!’ Ze zei geen Lotje. Dat beloofde niet veel goeds. Wekenlang had mama zich afgevraagd waar de nare geur in de kelder toch vandaan kwam. Totdat ze me riep en de beschimmelde spruitjes op een hoopje aantrof in het hoekje van de bovenste plank. ´Wat is dit voor viezigheid? Heb jij dat gedaan?’ ‘Mama, ik zei toch dat de spruitjes vies waren.’
door Charlotte Dorren 30 januari 2024
Heb jij dat ook weleens? Een heldere, haast kinderlijke ingeving? Zomaar iets eenvoudigs waar je nooit eerder bij stilgestaan hebt? Tot dat ene moment. Het kan een ding, een woord, een naam zijn… Het komt vast door de rust die ik ervaarde toen ik de kokosnoot open maakte. Geen gedoe meer met een hamer, theedoek en een hoop splinters zoals vroeger thuis. Maar gecontroleerd en geleerd hier in de Caribbean. De noot links in de hand langzaam ronddraaiend en met rechts en de achterkant van een groot mes over het midden tikkend totdat het open splijt.  Ik staar naar de twee bruine helften met spierwit vruchtvlees. Het lijkt precies op een Bounty reep! Ineens realiseer ik het me. Dáár heeft de fabrikant het idee natuurlijk van! Vroeger vond ik de reep al heerlijk. Dan knabbelde ik de chocolade van de buitenkant waarna mijn vingers natuurlijk vreselijk plakten. Mijn vader probeerde me tevergeefs te overtuigen dat het beter was voor de smaakbeleving hapjes in zijn geheel te nemen. ‘Een stukje paradijs op aarde’, zo luidde de slogan van de reep die vernoemd is naar de Bounty eilanden bij Nieuw-Zeeland. Zo ver zullen wij met Quelinda niet gaan. Maar waar we nu voor anker liggen? Dat is heus een Bounty- waardig, paradijselijk eiland! Paradijsje op aarde, of toch niet? Hier op Coco Banderas Cays ligt zand, zo zacht, net nep. Een plaatje uit de reisgids om bij weg te dromen. Ritselende palmbladeren en zeeschelpen met roze binnenkanten spoelen aan vanuit een azuurblauwe zee alsof het gewoon is. Dit eiland is één van de ruim 350 eilandjes van de Guna Yala, voorheen San Blas. Officieel hoort het bij Panama maar sinds de revolutie, nu 99 jaar geleden, voeren de Guna Yala indianen eigen regie. Mangroven, palmboomeilanden en drukbevolkte dorpjes midden in zee wisselen elkaar af. In totaal wonen er zo’n 55.000 mensen. Het oogt als een paradijsje op aarde. Of toch niet? Nou, soms wel en dan weer allesbehalve. De Guna Yala is tot dusver het mooiste maar niet het gemakkelijkste vaargebied. Het gebied ligt in de Caribische zee aan lagerwal. De oceaan stuwt ons voortdurend gewillig richting kust en de wind blaast meestal uit verkeerde hoek. Wat zeilen, zonder opkruisen en tegen golven in stampen, haast onmogelijk maakt. De motor gaat dan ook regelmatig aan en ondanks onze ruime hoeveelheid diesel zijn we blij dat we onderweg nog wat konden scoren. De ruim twee dagen van Colombia naar hier zonder goede wind hadden aardig ingehakt in de dieselvoorraad. Hier, tussen de uitgeholde, varende boomstammen door, voelt de ronkende motor vreemd. Het geluid en de geur zijn een inbreuk op de pure omgeving. Tegelijk is het een betrouwbare partner die ons, tussen riffen en brekende golven, veilig naar de volgende ankerplek loodst. Het gebied is imponerend, rauw en puur in alle opzichten.
Meer posts
Share by: