Quelinda

Tobago

Charlotte Dorren

Het appje van Jo, een zeilmaatje, spookt door mijn hoofd.  

´Naar Tobago is een pittige, snelle tocht.´ Bericht ze. ´Het is stroom mee met een halve tot aan de windse koers. Nog geen drie dagen varen maar iedereen praatte erover en voelde zich beroerd. Dus maak voldoende eten en neem snacks mee. Ik heb de hele reis niet kunnen koken en was onvoldoende voorbereid. Jij nu wel!'

 

Ik nu wel. Dat klopt. Denk ik bij mezelf. Quelinda is voor het eerst in 80 dagen weer zeilboot. Verzamelde souvenirs en potentiële projectielen, zijn opgeborgen of vastgebonden. Lunch is gesmeerd en lasagne staat in de oven. Ik ben wat gespannen. Zal deze trip van bijna 500 mijl echt zo heftig zijn als ze zeggen?

Maar wanneer ik droom over de Caribbean, dan zie ik blauw, helder water en kleur voor me. Tobago, het sigaarvormige eiland waar het waarschijnlijk zijn naam aan dankt, wordt wel het mooiste eiland van de Kleine Antillen genoemd. Wat kijk ik daar onwijs naar uit!


Dag twee op zee. De wind waait 15 tot 20 knopen uit oostnoordoostelijke richting. De zee heeft een metamorfose ondergaan. Het Surinaams colabruin is verruild voor kobaltblauw, is kalm en ruikt intens zilt na lang aardse tonen te hebben gesnoven.  

Er is iets geks aan deze tocht. Door stroming gaat Quelinda als een malle maar we vertragen bewust. Want met aankomen tijdens kantooruren voorkomen we een extra toeslag bij immigratie en daar gaan we voor. Dus voor de tweede keer deze reis minderen we zeil. Met twee riffen in het grootzeil en een half ingerolde kluiver varen we nog altijd met 6,5 knoop door het water. Het wordt een sport om onze aankomst te timen.   

Sinds we oceaanzeilen heb ik geleerd dat niet alleen wind maar vooral golfhoogte en het interval ertussen comfort bepalen. Vandaag rollen de 1,5 meter hoge golven elke 9 seconden onder Quelinda door. Dat is comfortabel maar zo voelt het nog niet. De paar maanden aan land hebben ons evenwichtsorgaan lui gemaakt. Ik voel me dronken, al ben ik dat nog nooit echt geweest. Paul wel en die heeft hetzelfde. Eigenlijk hebben we geluk. Zeeziekte is bij ons amper een issue. Met voorzorgsmaatregelen word ik hooguit katterig en herstel snel na inslingeren. En Paul? Die heeft vrijwel nooit last. 


En weg was ze


Ik staar naar een olietanker aan de horizon. Het enige schip vandaag. Vannacht was dat wel even anders. Tijdens mijn wacht voeren vier vissersschepen precies rond mijn koerslijn. Twee lagen op aanvaringskoers. Ik riep Eliane, het schip recht voor me op en deelde mijn intenties. Ik wilde mijn koers behouden. Een geïrriteerd antwoord volgde. Hij bleef daar vissen en wilde niet wijzigen.

Dat recht heeft hij en ik gunde hem goede vangst, maar kak! Waar moest ik naar uitwijken met dat gekrioel van de andere drie voor me? Ik besloot Don Valentin, het andere schip dichtbij, op te roepen.

´Don Valentin, Don Valentin, Don Valentin. This is Quelinda, Quelinda, Quelinda. Over.´

´Yes, Quelinda.´ kraakte een zware stem met Spaans accent aan de andere kant.

‘Goodnight sir. This is Quelinda. I would like to proceed my course. I am on my own and under sail. Is that ok?’

‘If you wish, if you wish’ brengt de schipper uit. ‘We are fishing the four of us tonight. If you wish, I tell the rest.´

Ik had geluk. Don Valentin gaf leiding aan de andere drie en was goedgemutst. Dus geen geklooi met zeil en Paul kon blijven knorren. ‘Thanks for your cooperation sir. Good watch and fishing!’

‘Your welcome miss. Have a good watch too.’

Ik was opgelucht en realiseerde me dat mijn spreekangst voorbij was. Aan het begin van onze reis vond ik de knop van de marifoon indrukken al spannend.

Mijn victoriegevoel was van korte duur. Geïrriteerde Eliane kwam steeds dichterbij. Ik moest iets doen ondanks het door Don Valentin beloofde koersbehoud. Fors bakboord uit en achterlangs leek me de enige optie en dus maakte ik Paul alsnog wakker. Verstomd keken we samen over de buiskap naar Elianes rode romp, die nog maar zes minuten van ons verwijderd was.

Ik werd zenuwachtig en begon te ratelen. ‘Hij zei het echt. Ik mocht koers houden. Zal ik nog eens oproepen? Gaan we achterlangs? Wat doen we!’ En precies toen stopte het vissen. Elianes dekverlichting doofde. De ronkende motor gaf gas en weg was ze. Dat was heel nipt…  

 

Dag drie op zee. Nog vijf mijl te gaan. We melden ons en zijn precies op tijd. De tocht is alles meegevallen en zoals altijd, ben ik blij dat we er zijn. De groene baai van Charlotteville opent haar armen. Aan bakboord ligt Pirate’s Bay. Een idyllisch strand met azuurblauw water waar stelletjes elkaar het jawoord geven en ik door de immense golven leer duiken maar vooral mijn bikinibroek volschep met zand.

Aan stuurboord dobberen houten visboten met ranke hengeltjes en exotische namen. African queen, Expect the unexpected en Coconut dream wachten op een retourtje naar open zee. De meesten zijn trouwens oranje geschilderd vanbinnen. Dan zijn ze bij een reddingsactie goed zichtbaar vanuit de lucht. Dat wist ik niet.

We gaan op zoek naar een ankerplaats. Het blijft diep met zo’n 15 meter en de branding oogt verwoestend. Het is code oranje in de baai. Net als vier andere onbekende zeilboten kiezen we veiligheidshalve voor een mooring. Zwemmen vanaf het strand wordt de komende dagen afgeraden en snorkelen heeft jammer genoeg nog geen zin.


Lijken aan boord


Het kantoortje in een vierkant wit gebouw is slechts vijf minuten lopen.

`Yes? Come in.’ Een grote vrouw in uniform verschijnt in de opening. ‘You must be Quelinda?’

Immigratie weet direct dat we er zijn! Die hadden we niet zien aankomen. Er is veel te doen over de inklaringsprocedure in Tobago maar daar merken wij niets van. De procedure is sinds kort aangepast en staat op de website goed uitgelegd.

Ik kijk naar een poster op de muur, dan naar mijn hemdje en dan aarzelend terug naar de vrouw. Het is hier verboden om legerkleding te dragen. Laat nu net mijn hemdje dezelfde groenschakeringen hebben. Maar ze keurt het goed want er staan bloemetjes tussen.   

Met een hand vol kleurrijke foldertjes, invulformulieren en evenveel carbonpapier begint Paul aan de registratie. Omdat het kopieerapparaat stuk is, loop ik een straat verderop naar de bibliotheek. Geld om kopietjes te betalen heb ik niet. De pinautomaat blijkt stuk. Maar het geeft niet zegt de bibliothecaresse. Dat geld, dat komt wel. En zo is het ook gegaan. De bieb bleek voor mij ook nog eens een heerlijke werkplek, lekker koel en met goede Wi-Fi verbinding.


Intussen stempelt de douane onze paspoorten en volgt een mondelinge health check. De vraag of we dode lichamen aan boord hebben, komt onverwachts. ‘It’s just the two of us.’ Antwoord ik bloedserieus. Ik wou dat ik zo snel van geest was om het liedje van Bill Withers te zingen.

Voor cruiseschepen zal het een heel normale vraag zijn, maar voor ons voelt het gek.

Tijdens ons verblijf in Charlotteville, zijn twee cruiseschepen binnengekomen. We mochten toen niet meer met de dinghy aanmeren bij de steiger. De ruimte moest namelijk beschikbaar blijven voor de gasten die via snelle tenders massaal naar de kade werden gebracht en door een speciaal opgetuigde calypso band werden toegezongen. Op het strandje landen was overigens geen straf.

Het intrigeert me. De geënsceneerde ontvangst van de passagiers mist aan Tobago’s puurheid. Ik blijf me verbazen over hoe je in enkele uren een heel eiland kunt bekijken. Locals klagen over dat deze toeristen niets uitgeven op het eiland want zo zeggen ze: er kan aan boord gegeten en gedronken worden. Zeilers blijken wel geliefd: jullie nemen de tijd om hier te zijn, zoeken contact en komen in onze winkels en restaurants. Dat is natuurlijk tastbaar, zichtbaar. Begrijpelijk. Wanneer ik later een zeilster tegenkom die in haar jonge jaren op een cruiseschip heeft gewerkt,  leer ik dat de flitsbezoeken soms de enige mogelijkheid zijn om in korte tijd veel eilanden te bezoeken en volledig arrangeren en ontzorgen dan bijna een must is. Het verschil in reisbelevenis en hoe dit door eenieder ervaren wordt, blijft fascinerend.


No hurry…


De volgende dag reizen we met het openbaar vervoer naar de hoofdstad Scarborough om geld en een simkaart te kopen. Eigenlijk willen we de maxi taxi nemen maar een aardige man bij het benzinestation attendeert ons op de bus en gebaart naar de enige doorgaande weg. ‘It won’t take long.’

´Where can I buy tickets sir?’

‘Over there in the supermarket.’ Wijst hij.

Ik schrik want in de verte zie ik de bus al aan komen. Dat red ik nooit! 

‘Don’t worry. Overthere by that building is the turning point. Ask the driver to wait for you. Now go!’

Tussen de kippen en kuikentjes door zet ik het op een holletje.

De chauffeur is inmiddels gestopt en wacht inderdaad op me. De zon brandt en het zweet parelt over mijn gezicht. De kaartjes in de supermarkt blijken uitverkocht. Maar opnieuw geen zorgen, volgens de kassière. ‘Zeg maar tegen de buschauffeur dat hij ergens moet stoppen voor kaartjes.’

Ik hol terug. De chauffeur ziet me en wenkt me rustig aan te doen. Veel te warm om te rennen. Het geeft niet dat we geen kaartjes hebben. We mogen instappen en regelen het onderweg.


Niet veel later stoppen we bij een benzinestation voor kaartjes. In het midden van het terrein staat een vierkant hokje. Daar moet ik vast zijn. Ik zie niemand. Ik tuur door de zwarte ruit maar het is ondoorzichtig. Er zit alleen een roostertje. ‘Hello?’ zeg ik zacht terwijl ik mijn oor tegen het vieze glas druk en luister.

‘Goodmorning ma‘am.’ klinkt een vrouwenstem. Ah! Er zit iemand in.

´Two tickets to Scarborough please.´

Eindelijk! Ze heeft kaartjes, maar geen idee hoeveel het kost. Gelukkig heb ik dat net gehoord van de buschauffeur.


Intussen wordt er in de bus druk gespeculeerd. Paul luistert geamuseerd.

‘Where is that white woman going?’

‘Getting her tickets, lady.’ Wanneer de busschauffeur aanstalten maakt om te vertrekken breekt de paniek uit.

‘Don’t you leave that woman!’ gebiedt de oudere vrouw.

De buschauffeur lacht schuddend en maakt duidelijk dat hij de bus alleen een stukje verplaatst.


Ik ontvang verschillende tickets met kartelrandjes die ik kan afscheuren zoals je vroeger bij postzegels deed toen het nog geen stickers waren. Op elk strookje staat een ander bedrag en zo kan ik de chauffeur gepast betalen.

De inzittenden lijken opgelucht dat ik er ben. Maar niemand heeft haast.  


Wapens voorin!


Het sfeerloze Scarborough, waar een derde van de in totaal 50.000 inwoners wonen, blijkt goed voor praktische zaken. Intussen hebben we trek gekregen en belanden in een sportsbarretje. Flapperende geel met blauwe reclamevlaggetjes van Carib zijn onze eerste kennismaking met het frisse biertje waarvan er nog vele zullen volgen. De muziek staat er zo hard dat het resoneert in mijn buik. Elkaar verstaan kunnen we niet. We eten gefrituurde, droge diepvrieskip omdat er niks anders is maar de kokkin doet zichtbaar haar best voor een verse salade. Ook zij heeft het warm. Later die week ontdekken we eten à la Caribbean stijl. Verse vis, op de barbecue gegrilde kip of garnalen met een rumpunch. Werkelijk smullen.   

De busrit terug is aanmerkelijk drukker. Voor velen zit het werk of de schooldag erop. Een oudere man die net is gaan zitten met een lang zwart voorwerp in een doek, wordt door de chauffeur verzocht terug te komen. Of hij zijn geweer voor op het dashboard wil leggen. Liever niet op de passagiersstoel. Zo gaat dat hier. Ondenkbaar in Nederland.

Een stopknop kennen ze niet. ‘Bus stop driver.’ Wordt er hard geroepen als je eruit wilt. Er zijn haast geen haltes. Dat is je zelfgekozen bestemming.  


Verleidingsdans

 

Pure gemoedelijkheid en een natuurlijk vertrouwen in plaats van wantrouwen vinden we tekenend voor Tobago. Mensen zijn ontspannen, betrokken en zorgzaam.

De natuur is frisgroen en eetbaar onder je neus. Het 300 vierkante kilometer grootte eiland straalt kleur en vrolijkheid uit. Gevaarlijke roofdieren zijn er niet. Geen giftige slangen, meedogenloze spinnen of jachtluipaarden.

Als kleindochter van een boswachter, moet ik het genoemd hebben. Tobago is werkelijk een walhalla voor vogelliefhebbers. Nergens heb ik zoveel vogelaars met camera’s op statieven in bermen zien zitten. We hebben het geluk een dag met een gids, en vogelkenner, op pad te zijn geweest. Eigenlijk zou de wandeltocht van de geplande excursie veel verder zijn, maar de gids overtuigt ons mee te gaan kijken naar de verleidingsdans van de mannelijke manekin vogels. Het vrouwtje kijkt toe, luistert en kiest. Als je ooit de kans hebt om dit te zien? Doe het, en vergeet je verrekijker niet. Het is fenomenaal!


Op dit vulkanische eiland, is er weinig ruimte voor export. Het is zelfvoorzienend onder de Engelse vlag. Men is er trots op. En als het even minder gaat, is er altijd nog een geit of koe die als schoolgeld voor de kinderen wordt ingezet. Groente en fruit ligt vooral in stalletjes aan de weg, niet in de winkel. De ananas en watermeloen zijn werkelijk verrukkelijk! Nu weet ik hoe ze echt horen te smaken. En waar vind je een kilo verse tonijn voor zes euro? Gewoon aan het vissersstrandje in de baai. Ja, man! Tobago, ons eerste eiland in de Caribbean. Wat een vibe!















door Charlotte Dorren 27 maart 2025
Amerikanen die zijn zo overdreven, niet? ‘Hi, how are you doing?’ klinkt overal en altijd, maar het antwoord lijkt niemand echt te interesseren. Toch kan ik je zeggen, deze eerste indruk is bedrieglijk. De eerste echte kennismaking met Amerikanen komt niet in de vorm van een praatje bij de supermarkt of de wasserette dit keer, maar in een noodsituatie op het water. Na een stevige nachtelijke tocht van 180 mijl vanuit de Bahama’s naderen we West Palm Beach, Florida. De zeedeining en de stroming van de invaart zijn fors. We zijn blij dat we in de luwte van de rivier terechtkomen. Terwijl de stad ontwaakt, maak ik, moe en voldaan, voorop het anker klaar. De wind trekt aan mijn haren. En dan hoor ik Paul’s stem zelfs boven de harde wind uitgalmen. ‘Charlotte, het gaat niet goed!’ schreeuwt hij. ‘Jan is gevallen. Hij denkt dat hij iets gebroken heeft. Ze hebben hulp nodig.’ Snel ankeren we Quelinda . Paul laat de bijboot zakken en vaart naar buddyboat Yulunga om te helpen. Erika, Jan’s vrouw, heeft mankracht nodig bij het laten zakken van de stroeve ankerketting. Intussen blijf ik aan boord en roep de Amerikaanse kustwacht op. Ik leg de situatie uit, geef onze coördinaten door en wacht op hulp. Hoe snel zal er iemand zijn? Ik blijf standby op de marifoon en houd ons Amerikaanse telefoonnummer bij de hand. Nog geen tien minuten na het eerste contact is er een sheriff- en politieboot en niet veel later de ambulanceboot. De rust, efficiëntie en betrokkenheid van de hulpverleners zijn immens en even nodig.
door Charlotte Dorren 5 maart 2025
De Bahama's, een betoverende archipel ten noorden van Cuba en ten oosten van Florida, bestaat uit meer dan 700 eilanden en 2.400 Cays. Sinds 1973 is het onafhankelijk van Groot-Brittannië, maar politiek en historisch gezien, nog altijd nauw verbonden. Koning Charles is het staatshoofd. De sfeer op de kleinere eilanden is kleurrijk en gemoedelijk, een scherp contrast met drukke hoofdstad Nassau, waar miljoenenjachten en giga cruiseschepen het sfeerbeeld bepalen. Overdag een bruisend geënsceneerd toneel, maar zodra de schepen vertrekken, blijft een uitgestorven decor achter. Na inkopen in Nassau gaan we dan ook gauw op zoek naar het echte Bahama gevoel.
door Charlotte Dorren 24 januari 2025
De eindeloze zee strekt zich voor ons uit. De zeilen staan er strak bij en het laatste stukje Cuba verdwijnt achter de horizon, alsof het een afgesloten hoofdstuk is. Ik erger me zoals altijd aan de kriebelende haartjes in mijn gezicht en veeg ze weg. In tegenstelling tot het gevoel van Cuba, dat laat zich niet zo eenvoudig wegvegen. Zelfs voor Cubaanse begrippen was het concertkaartje van nog geen 10 dollarcent goedkoop. Toch was het 19e-eeuwse Tomas Terry-theater, in het centrum van Cienfuegos, amper voor een kwart gevuld. En dat terwijl er een populaire band speelde. Het had ook niets te maken met de schoonheid van het gebouw. De marmeren vloeren en zuilen, de plafondschildering en de rode, velours podiumgordijnen met gele kwasten, straalden grootsheid en allure uit. Zelfs de door de coulissen vliegende vleermuizen deden niets af aan de charme. Waarom de meeste stoelen dan wel leeg bleven? Dat probleem ligt veel dieper. Tamara, in haar vlammende fluorlegging en shirtje, begeleidt ons via een kronkelig zandpad naar het bootje om het meer met flamingo’s te bezoeken. Onderweg praat ze over haar leven. 'Mijn zeven katten krijgen eerst eten.' Tamara werkt zeven dagen per week, voor 24 dollar per maand. Net als iedereen krijgt ze een basisrantsoen: een paar kilo rijst, wat bonen, een flesje olie en wat koffie. Daarnaast betaalt ze wat voor elektriciteit en water. Het huis kreeg haar familie van Fidel Castro. Maar als er iets extra’s nodig is, zoals medicijnen, wordt het ingewikkeld. Het is er niet of het is heel duur. Een spijkerbroek kost 20 dollar en een telefoon een heel jaarsalaris. Toen haar kaak ontstoken was, moest ze de dokter cadeautjes geven om geholpen te worden. Een paar uur later bedanken we Tamara voor haar openheid en het schouwspel van de vele flamingo’s en gaan op weg naar de markt.
door Charlotte Dorren 25 december 2024
Cuba verkeert letterlijk en figuurlijk in zwaar weer. Orkaan Oscar raasde eind oktober over het land, en daarna zorgde een aardbeving voor opschudding. Ook het regime roept vragen op. Er wordt gezegd dat er niets is: geen voedsel, geen brandstof. Sterk verouderde energiecentrales zorgen ervoor dat mensen vaak zonder stroom zitten. Basale levensbehoeften die wij als vanzelfsprekend beschouwen, ontbreken. Wat doet dit met de mensen? En wie zijn wij om daar nu de toerist uit te hangen? Kunnen we beter wegblijven of moeten we juist gaan? Onze wens is om dit land met een open mind te bekijken en te begrijpen. Er zijn genoeg oordelen over Cuba, maar geef ons de kans om ons eigen beeld te vormen. Ter voorbereiding lezen we ons in, en dat helpt de situatie beter te begrijpen. In het kort wil ik die zoektocht graag met jullie delen.
door Charlotte Dorren 4 december 2024
De omstandigheden bepalen het tempo, en wij passen ons aan. Ineens, is daar dat gekoesterde weergaatje. Verre van ideaal, weermodellen worden het maar niet eens, maar het is een kans. Een kans om noordwaarts weg te zeilen uit een land waar we haast vastgeroest zijn. Wegkomen uit Panama is niet eenvoudig. Het ligt aan lagerwal. Hier heerst óf geen wind, óf tegenwind. En de zee verkeert nog altijd in de afterparty van het orkaanseizoen. Squalls De eerste 72 uur van onze vijf daagse tocht, bromt de motor. Een klein zeiltje helpt in te slingeren. De Japanse noedels smaken goed ondanks de katterigheid. Het is wennen aan de deining na zo lang niet op zee te zijn geweest en het is druk. Op onze koerslijn vele grote zeeschepen die net als wij de ultieme route proberen te vinden. En dan, op dag drie gaat de motor uit. Eindelijk is er wind. En hoe! Het is alsof we een test krijgen van de meester, de zee himself . Squall na squall , ministormen, doorstaan we.
door Charlotte Dorren 24 oktober 2024
“Oh nee,” verzucht Jorge, onze vertrouwde taxichauffeur. Hij had het al eerder opgemerkt, het subtiele trekken aan het stuur, maar nu is het onmiskenbaar. In stilte hoopte hij de jachthaven van Shelter Bay Marina te kunnen bereiken en het probleem daar op te lossen. Maar het schrijnende geluid van de velg die over het ruwe asfalt schraapt, gaat intussen door merg en been. Jorge mindert vaart, wacht tot hij een opening in de dichte begroeiing ziet, en stuurt de auto behoedzaam de smalle berm in. We stappen uit in de schemering van de vallende avond. Om de reserveband tevoorschijn te halen, moet eerst 46 kilo ruimbagage uit de achterbak worden getild. De stevige, harde koffer leggen we eerst neer en daarna stapelen we de zachte tassen er bovenop om te voorkomen dat ze in de modderige berm terechtkomen. Tijgermuggen De noodband die hij met trots tevoorschijn tovert, lijkt wel een formule 1 band zo glad. Er is geen enkel profiel meer zichtbaar. Omdat de velg kleiner is dan die van het voorwiel en daar dus niet past, wordt Jorge inventief. Het achterwiel gaat naar rechtsvoor waar het lek was en het te kleine thuiskomertje neemt de plek rechtsachter in. De zwoele warmte valt als een sluier over ons heen. Zweet parelt alsof we in de sauna staan. Binnen mum van tijd worden we belaagd door muggen die zich gretig tegoed doen aan ons bloed. Gauw graai ik naar muggenspray als zelfs Jorge onrustig wordt. Want rondvliegende tijgermuggen die dengue, knokkelkoorts, overbrengen is hier geen uitzondering. Daar wil je niet mee besmet raken. Bijna thuis Daar sta ik dan, mijn telefoon omhooghoudend om Jorge en Paul bij te lichten. De zoete geur van Panama hangt zwaar in de lucht, terwijl de vogeltjes een laatste concert fluiten voor de nacht hen tot stilte dwingt. Met een oude, roestige krik en enthousiasme klaren de mannen binnen twintig minuten de klus. Langzaam en voorzichtig zet Jorge de auto weer in beweging. De donkere weg strekt zich uit door de jungle. Terwijl we verder rijden realiseer ik me dat we bijna thuis zijn. Thuis in een compleet andere wereld dan de wereld waar we gisteren nog van wegvlogen. Dat wordt mooi! De zomer in Nederland heeft ons dit jaar zoveel goed gedaan. Dit keer geen verdriet, maar volop genieten van het warme weerzien met familie en vrienden. Elke omhelzing een thuiskomen, in elk gesprek weer dichter bij elkaar. De kroon op deze zomer was het moment dat we de sleutel in handen kregen van ons nieuwe huis, gekocht terwijl we nog aan de andere kant van de wereld zaten. Het voelde als een belofte van iets nieuws, iets vast, van steen. We hebben keihard gewerkt aan de verbouwing. Niet gemakkelijk, maar met elke geplaatste muur, elke schroef en verfstreek groeide ons gevoel van trots en dankbaarheid. Wat wordt dat een mooi thuis! Door de golven gedragen Eenmaal terug in Panama voelt het alsof we aan de terugreis naar Nederland zijn begonnen. Waar je normaal in één dag met de auto of het vliegtuig weer thuis bent, gaan we met weer, wind en seizoenen als onze gids, langs de Cayman-eilanden, Cuba, de Bahama’s en de oostkust van Amerika. De geur van zout water, het zilte op onze lippen en de eindeloze horizon als onze begeleiders. Het Vrijheidsbeeld in New York zal ons laatste piketpaaltje zijn voordat we in juli aan de grote oversteek van de Atlantische Oceaan beginnen. Terug naar Nederland, gedragen door de golven.
door Charlotte Dorren 10 mei 2024
‘Ben er klaar mee.’ Met die woorden komt Paul me tegemoet met de dinghy. Vanochtend hadden we een slechte start samen. Mot om onbenulligheden. Allebei behoefte aan eigen ruimte. Paul had me met veel plezier op de kade afgezet en ik was nog veel blijer met vaste grond onder mijn voeten. Weg van het geklauter aan boord en gezoem van ventilatoren. IJskoude kokoslimonade, al wandelend plaatjes schieten en boodschappen doen, daar had ik zin in! Dat maakt me altijd weer blij. Na een paar uurtjes had ik alles gedaan wat ik wilde en mijn frustratie achtergelaten. Bij Paul ging het anders. Smerig en bezweet pakt hij mijn volle tassen beet. ´We kunnen geen water meer maken. Die kutgenerator is weer stuk. ´ ´Wat!? Alweer? Hoe kan dat nou?’ Dit is de tweede, dure motor in nog geen twee jaar tijd. ‘Ja, zeg jij het maar. Naar zijn grootje, het lager is kapot. Ik weet het niet meer Charlotte. Ik ben er zo klaar mee. Misschien moeten we de boot maar gewoon verkopen en een ticket naar Nederland boeken.’ ‘Wat? Quelinda wegdoen?’ Dat zal toch niet. Zeker niet uit zijn mond. ´Klotehitte hier ook. Werkelijk alles gaat stuk. Weken onderhoud gedaan en weer lopen we achter de feiten aan op een plek waar niets te krijgen is. En dan heb ik het nog niet eens over wat dit geintje gaat kosten.’
door Charlotte Dorren 31 maart 2024
Dit mag gewoonweg niet aan onze neus voorbijgaan. Verstandelijk probeer ik heus te beredeneren dat als het niet lukt, er vast weer iets anders op ons pad komt. Maar wat dan? Het is een gedachte die me zolang als we op reis zijn, onzeker maakt en bezighoudt. Het staat in een oud straatje met leilindes voor de deur. Aan het park, in het centrum. Notabene vorig jaar, toen we in Nederland waren, hebben we nog briefjes bij de bewoners in de bus gedaan om ons enthousiasme kenbaar te maken. Al 20 jaar willen we daar wonen en zo graag oud worden. En nu staat er prompt een lieflijk geveltje te koop.  Dromen, durven en doen. De spreuk gaat opnieuw op. Net zoals toen we besloten op wereldreis te gaan. Huis en banen vaarwel durfden te zeggen. En nu is het dit wat ons in complete verwarring brengt en ons uit de comfortzone rukt. Hier, aan de andere kant van de oceaan, waarin alles onmogelijk lijkt.
door Charlotte Dorren 7 maart 2024
Na een indrukwekkende rondwandeling door Ustupu, het grootste dorp van de Guna Yala, vraagt Iniquilipi aan ons en de familie Topaas of we blijven eten. Iniquilipi, een van origine Guna man, woont in Panama-Stad en is hier samen met zijn vrouw en dochter op vakantie bij zijn moeder en zus. We ontmoetten hem aan de steiger en hij gaf ons een warm welkom. Vandaag heeft zijn moeder iets speciaals klaargemaakt. Het zou een eer zijn om dat met ons te delen. Guna´s zijn dol op het visgerecht. De jonge visjes van een soort zalmachtigen, hooguit een paar centimeter groot, groeien op in het rustige water van de nabijgelegen Surghandi rivier. Ze worden gezien als een geschenk van moeder natuur. Nog voordat ze groot genoeg zijn om naar zee te zwemmen, worden ze in netten gevangen en gerookt. Guna’s delen het gerecht met elkaar. Het is zo bijzonder dat het zelfs wordt opgestuurd naar familie in Panama. Vorig jaar was de vangst minimaal. De zee geeft niet meer zoveel maar neemt steeds meer wordt gezegd. Er is minder vis, verbleekt koraal en eilandjes die onbewoonbaar worden of wegspoelen. De Guna’s zien de klimaatverandering met lede ogen aan. Spruitjesgevoel Ik bekijk het diepe bord en voel aan de rand. Lauw, met troebel water en stukken gekookte bakbanaan. In het midden drijft iets in de vorm van een lekkerbek. We mogen beginnen. Als ik het stuk met mijn vingers voorzichtig uit elkaar trek, zie ik zwarte puntjes tussen wit vlees. Het zijn de oogjes van de honderden samengeperste visjes. Ik neem huiverig een hap en zie de Guna familie in mijn ooghoeken verwachtingsvol kijken. Het is taai, melig en rokerig. Ik lach en knik goedkeurend maar krijg het ‘spruitjesgevoel’. Daar zat ik dan. Voor straf, snikkend op de trap in de gang. Vijf koude spruiten, voor elk levensjaar één, weggeschoven naar de rand van mijn bordje. Maar ik vond een uitweg. Eén voor één drukte ik de stinkende kooltjes door het iets te grote gat in de trap waar de verwarmingspijp naar de kelder liep. Briljant! Voor ik het wist waren ze weg. Vrolijk was ik met mijn lege bord terug naar papa en mama gehold voor het toetje. Ik, die vrijwel alles lust, krijg het bord met vissoep haast niet weg en zou het liefst opnieuw een uitweg zoeken. Kan ik het wegmoffelen? Onmogelijk. Laten staan? Geen optie. Niemand van mijn tafelgenoten trapt erin dat ik maar een kleine eter ben wanneer ik zeg dat ik wil delen. Het limoensap dat ik eroverheen kan sprenkelen maakt het beter. De kinderen van Topaas en de Guna kleintjes, krijgen iets anders. Zij moeten tenslotte nog groeien en verdienen het allerbeste eten. De zwager van Iniquilipi toont ons trots een foto van het gisteren geschoten hert. Daar komt de kindersoep. Kraakbeen, vet en fijngemaakte stukjes vlees in water met aardappel en banaan. Ongezouten en zonder kruiden. Ik ben ineens blij met mijn stuk van visjes. Ondanks dat ik het niet lekker vind en er kinderlijk maar onopvallend onderuit probeer te komen om het op te eten, is het in vergelijking met vroeger allesbehalve een straf. Hier zomaar zitten, samen met Paul en lieve zeilvrienden en deelgenoot zijn van het leven van de Guna Yala indianen, dat is heel bijzonder. Ik voel warmte en dankbaarheid. Voordat we op reis gingen durfde ik momenten als deze alleen maar te dromen. Heb jij dat gedaan? ‘Gatverderrie. Charlotte kom eens hier!’ Ze zei geen Lotje. Dat beloofde niet veel goeds. Wekenlang had mama zich afgevraagd waar de nare geur in de kelder toch vandaan kwam. Totdat ze me riep en de beschimmelde spruitjes op een hoopje aantrof in het hoekje van de bovenste plank. ´Wat is dit voor viezigheid? Heb jij dat gedaan?’ ‘Mama, ik zei toch dat de spruitjes vies waren.’
door Charlotte Dorren 30 januari 2024
Heb jij dat ook weleens? Een heldere, haast kinderlijke ingeving? Zomaar iets eenvoudigs waar je nooit eerder bij stilgestaan hebt? Tot dat ene moment. Het kan een ding, een woord, een naam zijn… Het komt vast door de rust die ik ervaarde toen ik de kokosnoot open maakte. Geen gedoe meer met een hamer, theedoek en een hoop splinters zoals vroeger thuis. Maar gecontroleerd en geleerd hier in de Caribbean. De noot links in de hand langzaam ronddraaiend en met rechts en de achterkant van een groot mes over het midden tikkend totdat het open splijt.  Ik staar naar de twee bruine helften met spierwit vruchtvlees. Het lijkt precies op een Bounty reep! Ineens realiseer ik het me. Dáár heeft de fabrikant het idee natuurlijk van! Vroeger vond ik de reep al heerlijk. Dan knabbelde ik de chocolade van de buitenkant waarna mijn vingers natuurlijk vreselijk plakten. Mijn vader probeerde me tevergeefs te overtuigen dat het beter was voor de smaakbeleving hapjes in zijn geheel te nemen. ‘Een stukje paradijs op aarde’, zo luidde de slogan van de reep die vernoemd is naar de Bounty eilanden bij Nieuw-Zeeland. Zo ver zullen wij met Quelinda niet gaan. Maar waar we nu voor anker liggen? Dat is heus een Bounty- waardig, paradijselijk eiland! Paradijsje op aarde, of toch niet? Hier op Coco Banderas Cays ligt zand, zo zacht, net nep. Een plaatje uit de reisgids om bij weg te dromen. Ritselende palmbladeren en zeeschelpen met roze binnenkanten spoelen aan vanuit een azuurblauwe zee alsof het gewoon is. Dit eiland is één van de ruim 350 eilandjes van de Guna Yala, voorheen San Blas. Officieel hoort het bij Panama maar sinds de revolutie, nu 99 jaar geleden, voeren de Guna Yala indianen eigen regie. Mangroven, palmboomeilanden en drukbevolkte dorpjes midden in zee wisselen elkaar af. In totaal wonen er zo’n 55.000 mensen. Het oogt als een paradijsje op aarde. Of toch niet? Nou, soms wel en dan weer allesbehalve. De Guna Yala is tot dusver het mooiste maar niet het gemakkelijkste vaargebied. Het gebied ligt in de Caribische zee aan lagerwal. De oceaan stuwt ons voortdurend gewillig richting kust en de wind blaast meestal uit verkeerde hoek. Wat zeilen, zonder opkruisen en tegen golven in stampen, haast onmogelijk maakt. De motor gaat dan ook regelmatig aan en ondanks onze ruime hoeveelheid diesel zijn we blij dat we onderweg nog wat konden scoren. De ruim twee dagen van Colombia naar hier zonder goede wind hadden aardig ingehakt in de dieselvoorraad. Hier, tussen de uitgeholde, varende boomstammen door, voelt de ronkende motor vreemd. Het geluid en de geur zijn een inbreuk op de pure omgeving. Tegelijk is het een betrouwbare partner die ons, tussen riffen en brekende golven, veilig naar de volgende ankerplek loodst. Het gebied is imponerend, rauw en puur in alle opzichten.
Meer posts
Share by: